Neefjes

Jaco / Arnemuiden / maandagmiddag 17.29 uur

Op de scanner is het een drukte van belang. Ik ben nog niet zo lang thuis uit mijn werk. Het was een drukke dienst op de ambulance en ik zit even op de bank. Uit gewoonte heb ik de scanner aangezet om mee te luisteren met de 112-meldingen in de buurt. Het verkeer gaat over en weer en ik probeer te ontcijferen wat er aan de hand is.

Plotseling hoor ik een woord dat maakt dat mijn nekhaar overeind gaat staan. Nog voor ik goed en wel de tijd heb om na te denken, kom ik al overeind. Er is een kinderreanimatie gaande en het adres heb ik al voorbij horen komen. Het is in de straat hierachter. Ik kan niet op de bank blijven zitten. De ambulance doet er tien minuten over, ik twee.

Ik neem de auto en haast me naar de plaats van het incident. Op straat kom ik een kind tegen. ‘Mijn broertje en mijn neefje zijn kwijt’, zegt hij in paniek. ‘Verderop hebben ze iemand uit het water gehaald.’ Snel rijd ik erheen, het is recht tegenover de kazerne. Op de dijk zijn twee agenten aan het reanimeren. Ik laat de auto staan en ren erheen. ‘Kan ik helpen? Ik ben verpleegkundige.

’‘Graag.’ Ik neem mijn plek in en begin het jongetje hartmassage te geven, terwijl de agent beademt. Ik schat het kind een jaar of zes. Heel even schiet de gedachte aan mijn eigen zoontje door me heen. Hij is twee en ook dol op water. Er komt een ambulance aan, meteen gevolgd door een tweede. Ik blijf hartmassage toepassen, ook als even later de traumahelikopter arriveert. Het jongetje krijgt een infuus, medicatie, nog meer medicatie. Vanuit mijn ooghoeken zie ik de vader aankomen.

De trauma-arts neemt uiteindelijk de beslissing. We stoppen. Ik heb geen tijd om erbij stil te staan. Ik ga nu naar de kazerne aan de overkant van het water en voeg me bij mijn collega’s die de duikers assisteren. De bevelvoerder heeft triest nieuws: het vermiste jongetje is de vijfjarige zoon van onze collega. Dat nieuws slaat in als een bom, maar tegelijkertijd vermannen we ons. Er is nu geen tijd voor schrik en ongeloof, er is alleen maar tijd om te handelen.

De duikers uit Middelburg en Goes zijn er al. Met z’n allen gaan we aan de slag. De duikers kammen het kanaal uit. De kinderen zijn waarschijnlijk bij het spelen op een steiger in het water gevallen. Vanaf die steiger maken de duikers zoekslagen, steeds wijder, maar ze vinden niks. Het is ook lastig om te zoeken op deze plek. De bodem is ongelijk en er zijn veel putten. Bovendien kan het jongetje weggedreven zijn.

Het zoeken duurt lang. Te lang. Iedereen kent de regel van het gouden uur. Het uur waarin een drenkeling nog kans heeft. Het gouden uur verstrijkt, en de uren daarna ook. Langzaam wordt het donker, maar niemand denkt eraan om te stoppen. Onder water is het toch donker, zowel overdag als ’s nachts. De duikers gaan door, meter voor meter kammen ze het kanaal uit. Als we het kindje niet meer kunnen redden, dan willen we hem in elk geval zo snel mogelijk teruggeven aan zijn familie.

Het wordt middernacht, het wordt één uur, twee uur. Om halfvier beslist de OvD dat we nu niet verdergaan. Iedereen is kapot. We gaan naar huis, proberen wat te slapen, en om halfacht staan we opnieuw op de kade. Meter voor meter wordt er verder gezocht. Zonder resultaat.

Pas de dag erop wordt het jongetje uit het water gehaald. Ik ben er niet bij, ik ben aan het werk. De impact binnen het korps is groot. Niet alleen omdat het om het zoontje en het neefje van een collega gaat, ook omdat het een massale en heftige zoekactie is geweest. Zelf heb ik moeite met het beeld van het jongetje dat ik heb gereanimeerd. Het was een naar gezicht en ik krijg het maar niet van mijn netvlies. Als ik mijn ogen dichtdoe, zie ik het keer op keer opnieuw. Ik praat erover met collega’s. Een van hen kent de ouders en weet dat het jongetje thuis is opgebaard. Hij stelt voor om samen naar hem toe te gaan. Daar moet ik over nadenken.Aan de ene kant wil ik graag af van het nare beeld in mijn hoofd, aan de andere kant moet je in dit werk altijd uitkijken dat je het niet te persoonlijk laat worden. Een inzet als deze maakt sowieso enorme indruk, maar wil ik binnenstappen in de thuissituatie, in het enorme verdriet van de ouders? En andersom: zitten zij er wel op te wachten dat een wildvreemde brandweerman naar hun kind komt kijken? Ik heb het erover met de ploeg en kom uiteindelijk tot de conclusie dat ik het wel wil. Dat het me zou kunnen helpen deze inzet, die maar door mijn hoofd blijft gaan, af te sluiten.

Mijn collega stelt het voor aan de ouders, zij vinden het prima. Samen gaan we erheen. Het jongetje ligt boven, op zijn kamer. Hij ziet er lief en mooi uit. Vredig. Zijn ouders bedanken me voor wat ik voor hun zoontje heb gedaan. Ik vind het lastig. De vraag ‘waarvoor’ bekruipt me. Ik had dit zo graag anders willen zien. Tegelijkertijd weet ik dat het niet aan mij is om te beslissen over leven en dood. Bij moeilijke zaken als deze heb ik veel steun aan mijn geloof. Dat geldt voor veel mensen in ons dorp. Het helpt me bij het verwerken. Ik geloof niet dat God wil dat zulke erge dingen gebeuren, maar wel dat Hij je helpt om ermee om te gaan. 

De hele week bid ik, voor de ouders, nabestaanden en betrokkenen. We gaan met de hele ploeg naar de begrafenis.Het is intens verdrietig en heftig, maar het maakt ons ook sterker. Als mensen, en als ploeg.

Schrijfster Mariëtte Middelbeek legt in het boek op beeldende wijze de verhalen vast van vijftien brandweercollega’s uit diverse regio’s, van uitruk tot meldkamer en preventie, oud en jong, man en vrouw en met veel en weinig dienstjaren. “Door de verhalen heb ik een heel mooi beeld gekregen van wat de brandweer allemaal doet. Het is veel meer dan ik had vermoed. Enorme branden en grote ongevallen, maar ook 97 kalveren in een gierput of een man die niks weg kon gooien, met alle gevolgen van dien,” vertelt zij vol enthousiasme.

Alle verhalen lezen? Het boek is te bestellen bij Uitgeverij Marmer

Delen