Staaf

Frans / Eindhoven / maandagochtend 9.49 uur

Omdat de ambulance om onze assistentie heeft gevraagd, zijn we met zwaailichten en sirenes op weg. De situatie is mij verre van duidelijk. We hebben van de meldkamer doorgekregen dat het gaat om een slachtoffer met een pin in haar hoofd. Ik kan er eerlijk gezegd vrij weinig mee. We komen aan op de plaats van het incident. Het blijkt te gaan om een auto-ongeval: een donkerblauwe stationwagen is tegen een boom geknald, waarna de draadeinden die achter in de auto lagen, naar voren zijn gevlogen. Ongelukkig genoeg is een van die ijzeren staven in het hoofd van de passagiere geschoten. Door de vaart is de staaf daarna teruggeschoten, waardoor het andere einde ervan nu vastzit in het plafond van de auto. Terwijl ik de situatie bekijk, bedenk ik wat een enorme klap dit geweest moet zijn. De bijrijdster heeft het meeste pech gehad. De staven lagen, weliswaar in de achterbak, achter haar stoel.

De bestuurder is al naar het ziekenhuis gebracht, maar was er een stuk minder slecht aan toe, begrijp ik. Naast de vrouw zit een ambulanceverpleegkundige. Zo goed en zo kwaad als het gaat, probeert hij haar te stabiliseren. De vrouw is niet bij kennis. Ik probeer een plan de campagne te maken. Het wordt improviseren. Hoeveel opleidingen en oefeningen ik ook heb gedaan, deze situatie zat er niet bij. Ik overleg met de jongens van de ploeg. ‘Slijpen kunnen we niet’, zeg ik nadenkend. ‘Daar hebben we de ruimte niet voor.’ De snijbrander kunnen we ook niet gebruiken. Veel te gevaarlijk, zo dicht bij het slachtoffer. En de staaf er zomaar uit trekken is ook al geen optie. Als de vrouw nog een kans heeft, dan is dat alleen als een arts op de operatiekamer de staaf eruit haalt. Het andere uiteinde ervan zit veel te goed vast in het dak, dat krijgen we niet zomaar los. Blijft over: de betonschaar.

Ik steek mijn hoofd weer in de auto en overleg met de ambulanceverpleegkundige. ‘Als jij nou het hoofd en de pin vasthoudt, dan kunnen we hem waarschijnlijk wel doorknippen’, zeg ik. De man knikt. Een van de jongens loopt naar de auto om de betonschaar te pakken. Terwijl de ambulanceverpleegkundige de ene kant van de staaf vasthoudt en ik de andere, houdt mijn collega de ‘Klaar?’ vraagt hij. Ik knik, de ambulanceverpleegkundige doet hetzelfde. De pin is niet zo dik en met één welgemikte knip gaat hij doormidden. Nu kan de vrouw in elk geval naar het ziekenhuis worden gebracht, ook al is de staaf er niet helemaal uit. Snel wordt ze uit de auto gehaald en op de brancard gelegd. Twee jongens uit de ploeg gaan mee in de ambulance om onderweg te assisteren bij een eventuele reanimatie. Terwijl het geluid van de ambulancesirene wegsterft, staan we even uit te blazen. De politie neemt de leiding op de plaats van het incident. Er moet technisch onderzoek worden gedaan en daarna moet het autowrak worden afgevoerd.

Wij gaan intussen onze spullen pakken. Als we bijna klaar zijn om terug te keren naar de post, komt er een nieuwe oproep van de meldkamer. ‘Kunnen jullie naar het Catharina Ziekenhuis gaan?’ vraagt de centralist. ‘We hebben het verzoek gekregen of jullie de staaf nog wat verder kunnen inkorten, zodat het slachtoffer daarna naar een ander ziekenhuis kan worden vervoerd.’ ‘Jongens, in de auto!’ roep ik naar de ploeg. Binnen tien seconden zitten de twee achtergebleven ploegleden en ik klaar voor vertrek. Met loeiende sirenes gaan we op weg, maar vlak voordat we bij het ziekenhuis zijn, worden we afgebeld. ‘Vervoer was geen optie meer’, zegt de centralist. ‘Ze moest meteen geopereerd worden.’ We keren terug naar de kazerne. Tegen de middag voegen de twee ploegleden zich vanuit het ziekenhuis weer bij ons. De vrouw is op de operatietafel overleden.

Schrijfster Mariëtte Middelbeek legt in het boek op beeldende wijze de verhalen vast van vijftien brandweercollega’s uit diverse regio’s, van uitruk tot meldkamer en preventie, oud en jong, man en vrouw en met veel en weinig dienstjaren. “Door de verhalen heb ik een heel mooi beeld gekregen van wat de brandweer allemaal doet. Het is veel meer dan ik had vermoed. Enorme branden en grote ongevallen, maar ook 97 kalveren in een gierput of een man die niks weg kon gooien, met alle gevolgen van dien,” vertelt zij vol enthousiasme.

Alle verhalen lezen? Het boek is te bestellen bij Uitgeverij Marmer

Delen