Stier

Anka / Aduard / zondagnacht 00.08 uur

‘Wilt u gaan naar het Van Starkenborghkanaal voor een koe te water?’

De melding klinkt hard door mijn stille slaapkamer. Meteen ben ik wakker. Ik kreun zacht en kruip onder mijn warme deken vandaan. Ik doe mijn werk graag, maar een koe uit het water halen terwijl de temperatuur maar net boven het vriespunt uitkomt, is niet het allerleukste klusje.

Ik loop de gang op. Ook mijn collega’s komen uit hun slaapkamers. Allemaal glijden we via de paal naar beneden, de garage in. We gaan op weg met het duikvoertuig*. Achterin zit ik samen met mijn collega Kees, de tweede duiker. Op dit late uur zeggen we niet zoveel. Ik probeer me voor te bereiden. Een koe te water betekent dat we zo meteen gaan proberen het dier te vangen, het een halster om te doen en het naar de kant mee te nemen. Afhankelijk van de kade zal de ploeg van de meegestuurde tankautospuit dan de koe met een touw op de kant trekken of, als het nodig is, takelen. Hopelijk zit het mee en zijn we met een uurtje of twee weer terug.

We zetten de auto stil langs het water. Het Van Starkenborghkanaal is op dit punt heel breed en een stukje terug, precies in het midden, zie ik in de straal van mijn zaklamp iets bewegen. Het komt onze kant op. ‘Volgens mij heeft hij een neusring’, zeg ik, turend naar het dier in het water. ‘Dan is het een stier.’ Voor de reddingsactie maakt het niet uit, al moeten we wel voorzichtig zijn. Stieren zijn, zeker als ze in paniek zijn, onvoorspelbaar en ongelooflijk sterk. Kees en ik maken ons snel klaar en laten ons dan in het water zakken.‘Laten we hem van twee kanten tegemoet zwemmen’, stel ik voor. Als ik tegen mensen zeg dat paarden en koeien kunnen zwemmen, kijken ze me raar aan. Maar het is echt zo, en hard ook. Al had ik een motortje op mijn rug, dan nog hield ik ze niet bij. Het heeft dus geen enkele zin om achter een te water geraakt beest aan te zwemmen.

‘Oké, we sluiten hem in’, zegt Kees, die koers zet naar de overkant. Daarna zwemmen we van twee kanten op het dier af, precies in zijn gezichtsveld zodat hij ons ziet aankomen en niet schrikt. Sinds een paar jaar woon ik op een boerderij. We hebben zelf geen dieren, maar onze buurman houdt koeien. Hij heeft ook een paar stieren en ik herinner me dat hij ooit vertelde hoe hij die in de hand houdt: aan de neusring trekken. Daar schijnen ze rustig van te worden. Ik besluit het te proberen. We sluiten de stier in en dan pak ik de neusring. Het beest kijkt me wat verschrikt aan, maar als ik aan de ring trek, merk ik dat het werkt. Rustig zwemt hij met me mee. Ik grijns naar Kees. ‘Even m’n stier uitlaten, hoor.’ Het is nog best een eind naar de kade, maar uiteindelijk komen we in de buurt. ‘Touw!’ roep ik naar de ploeg die op de kant staat. Dat wil ik aan de neusring knopen voordat de stier kan staan. Zodra hij de bodem onder zijn poten krijgt, kan hij nog weleens wild worden. Er wordt een touw het water in geslingerd en ik knoop het aan de ring. Daarna zwem ik uit de buurt, gevolgd door Kees. Vanuit het water kijk ik toe hoe de stier naar de kant wordt gehaald. Op het ondiepe stuk blijft hij rustiger dan ik had gedacht. Waarschijnlijk heeft het zwemmen hem veel kracht gekost.

Rustig laat hij zich op de kant hijsen. Mijn collega’s laten het touw vieren en de stier gaat er in draf vandoor, het weiland in. Als het kan, zullen ze zo proberen het touw los te maken, maar zorgt dat alleen maar voor extra stress, dan laten ze het zitten. Morgenochtend zal de boer het dan zelf wel doen. Kees en ik klimmen op de kant en trekken onze pakken uit. Daarna nemen we plaats in het duikvoertuig. Via de doodstille wegen rijden we terug naar de kazerne. Het is bijna halfdrie als ik mijn warme deken weer over me heen trek.

Schrijfster Mariëtte Middelbeek legt in het boek op beeldende wijze de verhalen vast van vijftien brandweercollega’s uit diverse regio’s, van uitruk tot meldkamer en preventie, oud en jong, man en vrouw en met veel en weinig dienstjaren. “Door de verhalen heb ik een heel mooi beeld gekregen van wat de brandweer allemaal doet. Het is veel meer dan ik had vermoed. Enorme branden en grote ongevallen, maar ook 97 kalveren in een gierput of een man die niks weg kon gooien, met alle gevolgen van dien,” vertelt zij vol enthousiasme.

Alle verhalen lezen? Het boek is te bestellen bij Uitgeverij Marmer

Delen