Dak

Gerard / rijksweg A20 / maandagochtend 9.07 uur

‘Mooie auto’, merk ik op als we onze brandweerwagen op de vluchtstrook parkeren. Voor ons staat een spiksplinternieuwe Mercedes van de verkeerspolitie. Ik had al wat over die nieuwe politieauto’s gehoord. Ze zitten vol snufjes en de agenten zijn er behoorlijk verguld mee. Om de wagens te leren kennen moeten ze proefrijden zonder dat ze inzetbaar zijn, maar het tweetal dat vandaag op een kop-staartbotsing op de A20 is gestuit, is natuurlijk toch even gestopt.

Het is geen ernstig ongeval. Een kleine Mazda is met niet al te veel snelheid op z’n voorganger, een blauwe Ford, geklapt. De bestuurder van de Mazda staat achter de vangrail, die van de Ford zit op de achterbank van de politieauto. Een ambulanceverpleegkundige zit op z’n hurken met de man te praten. Als wij eraan komen,
staat hij net op. ‘Hij heeft pijn in zijn nek en in zijn rug’, zegt de verpleegkundige. We begrijpen dat de man zelf uit zijn auto is gestapt, nog even op de vluchtstrook heeft gestaan en toen, omdat hij pijn had, door de politie in de auto is gezet. Maar nu hebben we een probleem, want iemand met deze klachten moet op een speciale manier uit de auto worden gehaald. Hiervoor hebben we de zogenaamde ‘methode Custers’, die inhoudt dat er een hulpverlener achter het slachtoffer moet zitten en het hoofd moet vasthouden tot het ambulancepersoneel
de nekspalk heeft omgedaan. Daarna moet het slachtoffer op een wervelplank* uit de auto worden gehaald.

‘Daarvoor moet alleen wel het dak eraf’, zeg ik met een blik richting de gloednieuwe Mercedes. Doodzonde natuurlijk, de auto is straks klaar voor de schroot met nog geen vijftig kilometer op de teller. ‘Maar die man is zo ingestapt’, antwoordt een van de twee agenten. ‘Hij liep zelf over de vluchtstrook.’ Ik knik spijtig. De methode Custers is geen keuze maar een verplichting vanuit ons protocol. ‘Ik begrijp het, maar het dak moet
er toch echt af.’ De agent knikt langzaam. Hij kent het protocol, maar blij is hij natuurlijk niet.‘Tja, als dat echt moet...’

Ik zie de man op de achterbank gewoon praten met de ambulanceverpleegkundige en ergens bekruipt ook mij het gevoel dat het opofferen van een peperdure auto met allerlei apparatuur aan boord misschien wel overdreven is, maar we kunnen het financiële belang natuurlijk niet boven dat van de patiënt stellen. Bovendien
zegt het feit dat de man bij kennis is en zit te praten niks over de ernst van zijn verwondingen. Ik kwam ooit bij een zwaargewonde man die na een ongeval zo bekneld was komen te zitten, dat wij de auto om hem heen weg moesten knippen.Terwijl ik bezig was, vroeg hij doodleuk of ik de radio wat zachter wilde zetten, want anders liep de accu leeg. Dat de meest zwaargewonde slachtoffers een uiterste kalme indruk kunnen maken, heb ik toen wel geleerd. We gaan aan de slag. Ik zie de agenten met tranen in de ogen toekijken. Ze begrijpen het, maar het doet toch een beetje pijn.

Schrijfster Mariëtte Middelbeek legt in het boek op beeldende wijze de verhalen vast van vijftien brandweercollega’s uit diverse regio’s, van uitruk tot meldkamer en preventie, oud en jong, man en vrouw en met veel en weinig dienstjaren. “Door de verhalen heb ik een heel mooi beeld gekregen van wat de brandweer allemaal doet. Het is veel meer dan ik had vermoed. Enorme branden en grote ongevallen, maar ook 97 kalveren in een gierput of een man die niks weg kon gooien, met alle gevolgen van dien,” vertelt zij vol enthousiasme.

Alle verhalen lezen? Het boek is te bestellen bij Uitgeverij Marmer

Delen