29 oktober 1827: aanschaf brandspuit wordt verplicht

Het lijkt tegenwoordig zo normaal: als er brand is, komt de brandweer zo snel mogelijk ter plaatse. Ze hebben van alles tot hun beschikking: een auto, slangen en ander blusmateriaal. 200 jaar geleden bestond dat allemaal nog niet en waren mensen aangewezen op brandspuiten. Die zijn vergelijkbaar met een injectiespuit. Je moest de mond van de brandspuit in water dompelen en vervolgens de hendel naar achter trekken. De brandspuit vulde zich dan met water en kon vervolgens op het vuur worden leeg gespoten. De meeste brandspuiten waren rond 1800 niet in het bezit van gemeenten, maar van particulieren.

Daarom lichten we deze keer geen brand uit, maar wel een belangrijk moment: op 29 oktober 1827 vaardigt koning Willem I een Koninklijk Besluit uit waarin staat dat alle gemeenten brandspuiten en andere blusmiddelen moeten aanschaffen:

“In alle steden en gemeenten, welke daarvan nog niet mogten zijn voorzien, zullen, zoodra mogelijk, een of meer brandspuiten, en de verdere daarbij behoorende bluschmiddelen, moeten worden aangeschaft”

Ook komt er dan meer aandacht voor brandpreventie en regelgeving:

“Gedeputeerde Staten zullen zorgen dat overal, zonder uitzondering, waar thans nog geene regelementen zoo ter voorkoming, als ter blussching van brand bestaan, dezelve ten spoedigste worden daargesteld”

Niet alle gemeenten waren direct rijp voor de aanschaf van een brandspuit. Bijvoorbeeld omdat het uitgestrekte plattelandsgemeenten zijn, omdat er al particuliere handbrandspuiten zijn aangeschaft of omdat er simpelweg geen geld voor is. De gemeente Leusden bijvoorbeeld, besluit nog niet direct een brandspuit aan te schaffen maar eerst de regelgeving aan te scherpen. Zo werd het verboden om “met brandende tabakspijpen zonder dopje langs publieke wegen of in de bosschen te gaan”. Enkele jaren later wordt de brandspuit alsnog aangeschaft, voor 89 gulden!

Bronnen: Bijvoegsel tot het Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden, 1827; Brandweer Leusden

 

Delen