Nooit meer spruitjes op 20 oktober

  • Slootdorp
  • 17 juni 2021

Het is 20 oktober 1986. Hendrik Brouwers, net 27 jaar geworden en net aangenomen als aspirant-brandwacht bij de groep Slootdorp van de vrijwillige brandweer Wieringermeer, komt eind van de middag thuis van zijn werk bij de Coöperatieve Aankoop Vereniging (CAV). Hij is nog niet officieel aangenomen bij de brandweer; daags erna moet hij nog op voor de medische keuring. Maar hij gaat wel alvast mee, een oefening uitzetten. Na het eten – er staan thuis spruitjes op het menu – vertrekt hij naar de kazerne en rijdt met de bevelvoerder naar Den Oever. In de bunkers daar staat een hittegewenningsoefening gepland.

Precies vier maanden getrouwd waren ze die dag, zegt Lia van der Meer (57). “En ik was op de kop af vier maanden in verwachting. Daarom hadden we het vooraf ook uitvoerig gehad over de risico’s van het brandweerwerk. Mijn broer Wijnand zat zelf bij de brandweer in Middenmeer en had Hendrik er min of meer voor warmgemaakt. De groep Slootdorp kon best wat mensen gebruiken en Hendrik kon door zijn werk overdag ook makkelijk weg. En met de risico’s viel het uiteindelijk mee, dachten we. Wijnand had in de polder hier nog nooit iets ernstigs meegemaakt.”

Explosie

Maar in de bunkers bij Den Oever gaat het die 20ste oktober mis. Goed mis. Hendrik Brouwers helpt zijn bevelvoerder pallets en stukken hout naar binnen slepen. Daarna besprenkelt de bevelvoerder de houtstapel met een vluchtige brandbare stof, vermoedelijk benzine. De twee praten binnen eerst nog wat, buiten is het slecht weer. Dan stuurt de bevelvoerder Hendrik naar buiten. Terwijl hij zich door de smalle gang van de bunker naar de buitenlucht begeeft, steekt de bevelvoerder het hout aan. Een heftige explosie volgt. Hendrik Brouwers, onbeschermd, wordt weggeblazen en belandt met een harde klap tegen een betonnen wand. Hij loopt zwaar hersenletsel en gebroken ledematen op. Tweemaal wordt hij gereanimeerd, tevergeefs. Hij overlijdt onderweg naar het ziekenhuis in Den Helder. Bij de bevelvoerder, wel in beschermende kleding, wordt de zuurstoffles van zijn rug geblazen. Maar doordat hij in een ruimte staat waar de luchtdruk grotendeels weg kan, raakt hij niet gewond.

Half negen ’s avonds ging de bel, herinnert Lia van der Meer zich. “Ik had een rustig avondje op de bank. En toen stonden ineens de heren Hoekstra en Niemandsverdriet op de stoep, de commandant en de ondercommandant. Ze vroegen of ze mochten binnenkomen en zeiden dat ze iets verschrikkelijks moesten vertellen, dat mijn man een ongeluk had gehad. Ik weet nog dat ik vroeg of het erg was en toen zeiden ze ja. Ik weet ook nog dat ik vroeg of hij nog leefde en dat ze nee zeiden. Op zo’n moment zakt de wereld onder je voeten vandaan. Dit kan niet, dit klopt niet, dit was helemaal niet de afspraak, denk je dan. Ze vroegen of ze iemand voor me konden halen. Ik zei dat mijn vader vlakbij in de manege zat te vergaderen. Hem hebben ze gehaald. Daarna liep van lieverlee het huis vol.”

Verschrikkelijk

Ook haar broer Wijnand (60) kwam meteen. “Ik zat bij mijn eigen korps. Ik weet nog dat ik het eerst niet kon geloven. Zo’n bizar verhaal. Al snel kwam de klap. Het was verschrikkelijk. Ik heb al m’n tranen weg gejankt. We kenden elkaar van kleins af aan. Hij was mijn beste vriend en zwager. Zomaar weg. Ik voelde me ook schuldig. Want ik was wél degene die hem had gevraagd om bij de brandweer te komen. Ik vroeg mij op dat moment af of ik ooit nog een brandweerslang kon vasthouden. Dat kon ik niet maken, dacht ik. Maar twee dagen later had ik boodschappen voor mijn zus gehaald en zag ik dat de Emmahoeve in brand stond – een grote, vermaarde boerderij in Slootdorp. Ik was er nog voor de blusploeg, heb geholpen met de waterwinning. Toen ik die saamhorigheid en verbondenheid weer zo vol ervoer, wist ik zeker: dit kan ik niet loslaten. Ik ben uiteindelijk tot 2006 in allerlei functies bij de brandweer gebleven. Toen ben ik gestopt. Ik had te veel hooi op mijn vork genomen. Ik ben nog even terug geweest als manschap, maar ik werd door mijn kennis steeds weer snel naar voren geschoven. Uiteindelijk ben ik helemaal gestopt.”

Zijn zus weet zich niet veel meer van de avond van en de dagen na het rampzalige ongeval te herinneren. “Veel is langs me heengegaan, veel is voor me geregeld. Ik was net uit huis, 22 jaar, had net een baan als leerkracht. Ik zat op een hele roze gelukswolk van net getrouwd zijn, in de wetenschap dat een kindje op komst was – en dan denk je er niet over na dat het weleens ‘klap-boem-klaar’ kan zijn. Daar ben je dan helemaal niet mee bezig. Ik weet nog wel dat ik na de eerste schok het gevoel had dat er iets bij me was geamputeerd. En dat ik dacht: wat moet ík hier nu nog? Haal mij ook maar weg.”

Emotioneel

Maar al snel kwam het besef dat ze verder moest. Voor zichzelf, maar ook voor haar ongeboren kindje. Dat kwam ter wereld op 2 april 1987. Een zoon, Jelle Pieter. Thuis geboren, na een voorspoedige zwangerschap. “Het was dubbel, zeer emotioneel. Ik was wel ongelooflijk blij dat ik iets van ons samen in mijn armen had.” In juli, drie maanden na zijn geboorte, liet ze hem dopen. In de kerk was een man met drie kinderen aanwezig. Hij had kort ervoor zijn echtgenote had verloren na een hartstilstand. “Ik kende hem niet, maar het verhaal van het gezin wel. Hun overlijdensadvertentie stond in dezelfde krant als de geboorteadvertentie van Jelle.” Niet lang daarna schreef hij haar een brief. Als lotgenoten raakten ze in gesprek en uit de vele wandelingen en gesprekken die volgden bloeide uiteindelijk een nieuwe relatie op.

Voor haar zoon is ze blij. Hij heeft altijd een vader gehad én een fotopapa. Doordat een foto van Hendrik in de kamer stond, heeft ze haar zoon tijdens zijn opgroeien in stapjes kunnen vertellen wat er was gebeurd. “Zijn biologische vader is vanaf het begin onderdeel van zijn leven geweest en dat steeds gebleven. Het is ongelooflijk mooi dat het zo kon gaan, dat hij groot kon worden in de wetenschap wat er was gebeurd.” De impact daarvan bleek in 2006, toen zich in de bunkers van Den Oever opnieuw een ongeval voordeed, opnieuw tijdens een brandweeroefening. “De afloop was niet fataal. Maar ik heb later van mijn zoon gehoord dat hij toen wél een brief heeft geschreven. Waar ze in ’s hemelsnaam mee bezig waren.”

Herinneringen

De herinneringen aan Hendrik zijn altijd gebleven, zegt ze. Elk jaar in oktober, als de dagen korter worden, de avonden eerder invallen en het weer omslaat, komt het gevoel van toen terug. Zijn verjaardag op de dertiende, het ongeval exact een week later. Ze was erbij, de keren dat de brandweer in Slootdorp de derde zaterdag van juni het herdenkingsteken gaf. Daar hield ze ook een keer kort een woordje over wat haar was overkomen. Toenmalig regionaal brandweercommandant Steven van de Looij was getuige. Hij polste haar of ze er iets voor voelde ook een keer het woord te voeren tijdens de nationale herdenking, elk jaar op de derde zaterdag in juni.

Dat verhaal houdt ze komende zaterdag. Het begint op 19 juni 1986, de dag van de vrijgezellenavond, de dag erna gevolgd door de bruiloft, twee dagen die samen met de vier maanden daarna “één verhaal vormen”, zegt ze. De persoonlijke impact staat centraal, uiteenlopend van het ingrijpende verlies van een geliefde tot alles wat daarmee samenhangt. “Zoals de schrik als de deurbel op donkere, gure avonden onverwacht gaat. Of dat ik nooit meer spruitjes heb gegeten op 20 oktober en dat ook nooit meer ga doen.”

Verlies

Haar broer Wijnand, die ook het woord krijgt, legt het accent op de waarde van vriendschap, de pijn bij het plotselinge verlies daarvan en de impact die het ongeval op zijn verdere leven heeft gehad. “Buiten de brandweer natuurlijk, maar ook daarbinnen. Tot die avond was ik me er nooit zo van bewust dat een fataal ongeluk écht in een klein hoekje kan zitten. De rest van mijn brandweerloopbaan heb ik het altijd met me meegedragen en steeds uitgedragen. ‘Denk erom …’, zei ik dan als ik bij anderen wat gemakzucht zag. Het is net als bij Lia: het is onderdeel van mijn leven geworden. Het heeft me nooit losgelaten.”

“Risicoloos wordt dit werk nooit”

Herdenken is belangrijk, zegt teammanager Petra Abma van de regionale brandweer Noord-Holland Noord. Elf jaar geleden maakte ze deel uit van de landelijke projectgroep die vormgaf aan het Nationaal Brandweermonument in Schaarsbergen, de eerste officiële, centrale herdenkingsplek voor de brandweer. In de zomer van 2014 maakte ze na het fatale ongeval van brandweerduiker John Impink in Koedijk zelf mee hoe diep het overlijden van een collega ingreep in haar eigen organisatie. “Het was een bikkelharde confrontatie met de impact op zowel de privé-omgeving als op de collega’s. Er ging letterlijk een schokgolf door de organisatie, de ontreddering was enorm.” Het heeft de jaarlijkse herdenking voor haar persoonlijk “indringender” gemaakt. Zij noemt de jaarlijkse herdenking elke keer een moment van bezinning. “Het doordringt je van het gevaar van ons vak en hoe belangrijk het is dat we ons daar altijd van bewust zijn. Dat risicobewustzijn is echt heel erg hard nodig en cruciaal. Want dit werk gaat altijd gepaard met gevaren. Hoe goed voorbereid en getraind je ook bent: risicoloos wordt het nooit.”

Dit jaar is op zaterdag 19 juni voor de tiende keer de nationale brandweerherdenking bij het brandweermonument in Schaarsbergen. Daar vindt een ceremonie plaats met een beperkt aantal mensen in verband met de coronamaatregelen, die wel rechtstreeks wordt uitgezonden op internet. De uitzending start om 12.00 uur en duurt tot even na 13.00 uur, als een minuut lang het ereteken wordt gegeven. Informatie over het volgen van de live-uitzending verschijnt op www.brandweermonument.nl.

Op veel brandweerposten hangt de vlag op 19 juni halfstok. Het logo op de sociale mediakanalen van de brandweer is deze dag zwart. Ook wordt er op verschillende posten twee minuten lang een ereteken gevormd door twee brandweerspuiten die een ereboog van water maken.

Delen