
Martin vertelde thuis vaak enthousiast over zijn brandweeropleiding en de uitrukken die hij meemaakte. Irene wilde daar alles over weten. Toch hadden ze nooit besproken of de brandweer ook iets voor haar zou zijn.
“Mijn verbazing was groot toen ze op een avond meedeelde dat ze zich had aangemeld als brandweervrijwilliger”, vertelt Martin. Irene wist niet zeker hoe haar broer zou reageren. “Maar hij was meteen enthousiast. De volgende oefenavond nam hij me direct mee naar de kazerne.”
Inmiddels zijn ze allebei brandweervrijwilliger in Goor. Ook buiten de kazerne kunnen ze goed met elkaar opschieten. “Thuis gaat het dagelijks over de brandweer”, vertellen ze.
Zodra Martin en Irene op de kazerne zijn of uitrukken, gaat de knop om. Dan werken ze samen als collega’s. “We gaan met elkaar om als ploeggenoten en niet als broer en zus”, zeggen ze. Eenmaal thuis praten ze een oefening of uitruk vaak nog even na.
Dat ze familie zijn, betekent niet dat Martin zich tijdens een inzet meer zorgen maakt om Irene dan om de anderen. “Natuurlijk kijk je naar elkaar om, maar dat doe je bij de hele ploeg. Ik weet dat Irene een goede brandweervrouw is.”
Samen naar de kazerne gaan, moesten ze nog wel even leren. “In het begin vertrokken we weleens met twee auto’s vanaf hetzelfde adres, een paar seconden na elkaar. Dan kwamen we elkaar in de tankautospuit weer tegen”, vertelt Martin. Een gezamenlijke rit bleek toch wat praktischer. “Tegenwoordig rijden we samen als dat kan.”
Een recente uitruk is Irene bijgebleven. Midden in de nacht werden ze gealarmeerd voor een verkeersongeval. De auto zat flink in de kreukels en de ploeg moest een slachtoffer bevrijden. Het was de eerste keer dat Martin en Irene samen zo’n inzet meemaakten.
“Martin was bevelvoerder en ik zat achterin”, vertelt Irene. “De inzet verliep mooi en soepel. Ik was stiekem best trots op hoe Martin het afhandelde. Ik dacht: lekker broer, mooi gedaan!” Die uitruk zal ze niet snel vergeten.
Martin en Irene herkennen veel van zichzelf in de ander. Ze zijn allebei gedreven en geven zich volledig tijdens oefeningen. Toch zien ze ook verschillen. “Martin is accurater en doelgerichter”, zegt Irene. “Ik ben soms nog wat meer zoekend en speelser.”
Juist daardoor kunnen ze van elkaar leren. Martin bewondert hoe Irene oog heeft voor de mensen om haar heen. Irene kijkt op haar beurt naar de manier waarop haar broer communiceert als bevelvoerder. “Hij heeft geleerd om kort en bondig te zijn. Daar kan ik nog wel wat van leren.”
En wie maakt de meeste grappen op de kazerne? Daar hoeft Irene niet lang over na te denken. “Martin kan me goed voor gek zetten. Dat komt denk ik ook doordat ik zijn jongere zusje ben: een makkelijk doelwit.” Gelukkig kan ze daar zelf ook om lachen.
Als broer en zus waarderen Martin en Irene ook de eigenschappen die ze bij de brandweer in elkaar terugzien. Martin noemt Irenes enthousiasme en haar bereidheid om anderen te helpen, thuis en op de kazerne. Irene waardeert Martins vastberadenheid: “Hij houdt vast aan zijn plan. Dat vind ik prettig.”
Samen vatten ze het eenvoudig samen: “Samen bij de brandweer zijn betekent voor ons dat we er voor elkaar zijn wanneer het er echt toe doet.”