Awkward moment day

  • Arnhem
  • 18 maart 2017

Iedereen kent het wel, een moment dat je het liefst door de grond wilt zakken. Een ‘awkward moment’. Ook bij de brandweer komen zulke momenten regelmatig voor…

Wietze maakte ooit zo’n awkward moment mee tijdens een uitruk naar een Woningbrand. Mariëtte Middelbeek legde zijn voorval vast in het boek ‘Verhalen van de Brandweer’. En je weet het al op het moment dat het zich voordoet: dit moet je nog lang aanhoren van je brandweercollega’s!

Wij zijn benieuwd naar jouw ‘awkward moment’ bij de brandweer. Laat het ons weten op onze facebookpagina!

Uit het boek ‘Verhalen van de Brandweer’, geschreven door Mariëtte Middelbeek

Kuil

Wietze / Harkema / dinsdagavond 19.00 uur

Ik sta in de schuur te klussen als de pieper gaat. Na een blik op mijn horloge knik ik wat gelaten. Proefalarm. Het tijdstip klopt precies. Twee seconden later grijp ik opnieuw de pieper. Het tijdstip mag dan kloppen, het proefalarm is nooit op dinsdag. Snel luister ik de melding af. Woningbrand, prio 1. Nog geen tien seconden later zit ik op de fiets.

‘De bewoners van het huis zijn mogelijk op vakantie’, krijgen we door als ik nog drie minuten later achter in de brandweerauto zit. ‘De buren hebben een rooklucht waargenomen en maken zich zorgen.’

Ik kijk uit het raam als we de hoofdstraat van het dorp binnenrijden. Het is winter en donker op dit tijdstip. Bij de meeste huizen zijn de gordijnen gesloten. De brandweerauto maakt een bocht en dan nog een en dan staan we stil. Snel stappen we uit. We staan voor een kleine, vrijstaande woning waar geen licht brandt. Een scherpe rooklucht dringt mijn neus binnen.

Er hebben zich wat mensen verzameld. ‘Sy binne net thûs’, zegt een man in het Fries tegen onze bevelvoerder. De bewoners zijn er niet. ‘Maar het lijkt erop alsof het huis in de fik staat.’ 

Het vreemde is wel dat ik geen vlammen zie. Omdat ik samen met mijn collega Sjoerd de aanvalsploeg vorm, lopen wij als eerste naar het huis toe. De rooklucht wordt erger en ik zie ondanks het donker ook zwarte pluimen, maar vlammen zijn er niet waar te nemen.

Vlak voor het huis blijven Sjoerd en ik staan. ‘Het lijkt wel alsof de rook bij het huis hierachter vandaan komt’, zeg ik, wijzend. ‘Het is in elk geval niet dit huis.’ Sjoerd knikt. We lopen om de woning heen, maar er zit een sloot tussen de twee huizen en bovendien hebben ze allebei een schutting. ‘Laten we maar even omlopen’, zeg ik.
We gaan terug en vertellen de bevelvoerder wat we hebben gezien. ‘We willen eigenlijk eerst even omlopen’, zeg ik. ‘Eerst kijken of het daadwerkelijk daar is voordat we de auto omkeren.’ ‘Goed idee’, knikt hij en Sjoerd en ik gaan op pad. We lopen de hoofdstraat in en schatten waar de rook vandaan komt. ‘Hier, volgens mij.’ Sjoerd wijst naar een oprit. Ik knik.

Met de woning lijkt niet zoveel aan de hand, de rook lijkt meer uit de tuin te komen. ‘Laten we eerst maar eens aan de achterkant kijken’, zeg ik, terwijl ik meteen de daad bij het woord voeg. Sjoerd volgt me op de voet.

Naast het huis staat een grote coniferenhaag. Ik tast naar mijn zaklamp, maar die kan ik niet vinden. Sjoerd schijnt bij. De heg bestaat uit twee stukken en precies in het midden is een opening. Mooi, denk ik en ik stap erdoorheen.

In de achtertuin is het aardedonker. Recht vooruit zie ik niks, maar als ik omhoog kijk, krijg ik de rookpluim weer in het vizier. Ik zet koers in die richting, maar na twee stappen voel ik ineens geen grond meer onder mijn voeten.  O nee, denk ik in de split second waarin ik nog probeer terug te stappen, een vijver… Ik worstel om mijn evenwicht te hervinden, maar dat is niet zo makkelijk met een brandweerpak aan en zware ademluchtflessen op je rug. Het volgende moment sla ik instinctief mijn handen voor mijn gezicht, verwachtend dat ik in het water terechtkom.
Maar er is geen water. Met een plof land ik boven op een tuinstoel, mijn been komt terecht op een tafel. Shit, denk ik half kreunend, een zitkuil…

‘Gaat het?’ hoor ik boven me. ‘Hm-hm’, kan ik nog net uitbrengen, terwijl ik probeer mezelf te herpakken. Langzaam kom ik overeind en probeer mijn ledematen. Alles doet pijn, maar ik kan ze nog bewegen. ‘Niks gebroken’, stel ik vast.
‘Ik probeerde je nog te pakken’, zegt Sjoerd als ik uit de kuil omhoogklauter. ‘Maar ik greep mis.’
‘Joh.’

We komen bij een tweede rij coniferen en ik laat Sjoerd voorgaan, met de zaklamp. Hij stuit op een man die ons licht beschaamd aankijkt. In zijn hand heeft hij een gieter, voor hem op de grond staat een omgekeerd olievat, waarin een niet te definiëren berg ligt na te smeulen. Her en der laait nog een vlammetje op.
‘Goejûn’, zegt Sjoerd in het Fries. ‘Goedenavond.’
De man groet terug. ‘Ik geloof dat jullie voor niks zijn gekomen.’

Even later voegt de politie zich bij ons. Ze maken een procesverbaal op. Dat je wat afval verbrandt, oké, maar de kunststof en grote stukken dakleer die deze man in de ton had gestopt, zijn wat al te gortig. De dikke rook die daarvanaf komt, is ronduit ongezond voor buurtbewoners. Al dacht de man dat niemand het ’s avonds zou merken als hij even wat zou verbranden, de rook is tot in de wijde omtrek te ruiken.

‘Zeg Wietze,’ zegt Sjoerd, als we even later weer richting onze auto lopen, ‘kijk je wel uit voor de zitkuil?’ Ik lach, al gaat het nog niet helemaal van harte. Dit moet ik vast nog lang horen.

Wij gebruiken cookies