Historie 1874-1895: beroepskorps

3000 ha en krap 300.000 inwoners
Als eerste in Nederland beschikte Amsterdam op 15 augustus 1874 over een brandweerkorps, dat volledig uit beroepsmensen bestond. Er waren 144 man in dienst, verdeeld over een Centraal Bureau, twee hoofdwachten, vier hulpwachten en drie posten. Op het Centraal Bureau, gevestigd in het Stadhuis, bevond zich tevens de Centrale Seinzaal.
Iedere kazerne was aangesloten op het speciaal aangelegde telegraafnet van de Brandweer, waarop ook nog eens 130 brandschellen waren geïnstalleerd, waarmee het publiek het korps kon alarmeren. Het materieel bestond uit drie stoomspuiten, twee bespannen handspuiten, zeven handspuiten die de manschappen zelf naar de brand moesten trekken en twee gereedschaps/personenwagens, waarmee twaalf man en veel extra materieel kon worden vervoerd. Bovendien waren er vijf schouwspuiten, handspuiten op lichte bootjes, en was een belangrijk deel van het materieel van het Brandwezen in dienst gebleven als reserve.
Het verzorgingsgebied van de Brandweer bestond uit de gemeente Amsterdam, met een oppervlakte van 3.000 ha. en 286.922 inwoners.

Drijvende stoomspuit Jan van der Heijde
Al in januari 1875 onderging het materieel een belangrijke uitbreiding toen de drijvende stoomspuit 'Jan van der Heijde' in dienst werd gesteld, die een capaciteit had van 4.000 liter per minuut.
In de eerste decennia van het bestaan werd veel aandacht besteed aan de verbetering van de huisvesting. Binnen twintig jaar werden zes kazernes vervangen en kwamen er twee bij in de stadsuitbreidingen in Oost en Zuid. Bovendien werden enkele malen tijdelijke posten ingericht op tentoonstellingen en bij bijzondere objecten.

Waterleiding en telefoon
Ook het materieel werd gestaag uitgebreid. Vier stoomspuiten en twee machinale ladders werden aangeschaft en Amsterdam kreeg de beschikking over een waterleiding, waarop 444 brandkranen werden aangesloten. Een andere noviteit, de telefoon, werd in 1881 geïnstalleerd op de Centrale Seinzaal en de hoofdwacht Prinsengracht.
Op 20 juni 1883 moest de Brandweer al haar krachten inspannen bij het blussen van een zeer grote brand op de Marinewerf op Kattenburg. Samen met de Marine-brandweer werd de vuurzee gestuit en namens het korps ontving het commando hiervoor zelfs een koninklijke onderscheiding. De Stadsschouwburg op het Leidscheplein verbrandde op 20 februari 1890 in een helse vuurzee, waarna binnen twee jaar nieuwe en veel strengere voorschriften voor alle schouwburgen werden ingevoerd. Vanaf 1895 moesten ook alle aanvragen voor andere brandgevaarlijke inrichtingen via de Brandweer geleid worden.

Wij gebruiken cookies