De dag van de slang; de brandslang. Uit 1672

  • Arnhem
  • 16 juli 2018

Op de dag dat in de wereld het bestaan van de slang wordt gevierd, staan wij stil bij de brandslang.

Die werd in 346 jaar geleden uitgevonden door de schilder/uitvinder Jan van der Heijden en zijn broer Nicolaas. Het brand blussen ging in die jaren met grote houten kuipen, waarin een eenvoudige pomp stond en die gevuld moesten worden met leren brandemmers. Met de straalpijp bovenop het apparaat kon het water dan redelijk hoog gespoten worden, maar erg effectief was het nog niet.

Jan en Nicolaas bedachten in eerste instantie een systeem met zeildoeken slangen, waarmee het water vanuit de grachten getransporteerd kon worden naar de brandspuiten, wat de lange rijen mensen met emmertjes overbodig maakte. Korte tijd later bedachten ze ook aan de perszijde een slang, die natuurlijk meer druk moest weerstaan en daarom van leer was gemaakt. In het octrooi, dat ze in 1677 aanvroegen, omschrijven ze het als volgt: “het water wordt gedreven en geleid door een lange en buigelijke buis, om haar gedaante een slang genaamd”.

Met de persslang was het nu mogelijk ook binnen en achter een huis te blussen, waarmee de “binnenaanval” een feit werd. De slang werd het handelsmerk van de Van der Heijdens, die de slangbrandspuiten over de hele wereld exporteerden. Zelfs de trapleuningen van de woning van Jan van der Heijden waren in de vorm van slangen. Ze bevinden zich nog in het Nationaal Brandweermuseum in Hellevoetsluis.

Het is dus zo’n beetje de ‘jongste’ slang en hij brengt meer veiligheid dan gevaar!

Een van de trapleuningen van de brandspuitenfabriek

Wij gebruiken cookies