Top of this page
Skip navigation, go straight to the content
Je hebt een heleboel soorten vuurwerk: pijlen, fonteinen, voetzoekers, rotjes en nog veel meer. In al deze soorten zit buskruit. En dat ontploft.
Buskruit bestaat al honderden jaren. Het is een mengsel van kaliumnitraat (salpeter), houtskool en zwavel. Dit kruid zit in een afgesloten buisje. Als je dit aansteekt ontploft het. Er komt dan veel gas vrij, dat niet meer in dat kleine buisje past. Zit onder in het buisje een gat, dan spuit het gas eruit en schiet het buisje de lucht in. Zitten er in de bodem een paar kleine gaatjes, dan geeft dat een fluitend geluid. Zo krijg je bijvoorbeeld een ‘gillende keukenmeid’. Als je het buisje dicht maakt, dan wordt de druk zo groot dat de hele boel met een knal uit elkaar spat, zoals bij een rotje.
In siervuurwerk zit niet alleen buskruit, maar ook stoffen die voor rook-, geluids- en lichteffecten zorgen. Het is opgebouwd uit karton, kunststof, klei, hout en een beetje metaal. Zo worden aluminium en magnesium gebruikt om een wit flitseffect te maken. Een combinatie van ijzervijlsel en houtskool geeft een goudkleurige vonkenregen. Strontium geeft rood licht en barium geeft groen licht. Koperoxide zorgt voor een blauwe kleur.
Om het kruit aan te steken, gebruik je een lont. Een lont is niet zomaar een touwtje. Het bestaat uit een aantal katoendraden die zijn gedrenkt in een papje van kruit en bindmiddel. Door het kruit brandt het lontje heel snel: binnen 3 tot 8 seconden. Deze tijd is wettelijk geregeld. Zou de lont sneller branden, dan kun je niet op tijd wegkomen. Doet de lont er langer over, dan ga je misschien nog eens kijken waarom het zo lang duurt.