Top of this page
Skip navigation, go straight to the content
Je zou je constatering ook kunnen melden bij de locatiemanager of oudercommissie. Wanneer ook zij hier niets mee doen, kun je contact opnemen met de afdeling toezicht en handhaving gebruiksvergunningen/ bouwvergunningen van de gemeente.
Vraag dit na bij de locatiemanager. Hij of zij kan je als het goed is vertellen wanneer de laatste oefening is gedaan en hoe deze is verlopen. Wanneer hij/zij je de informatie niet wil geven kun je het ook via de oudercommissie opvragen.
Kinderdagverblijven, peuterspeelzalen en buitenschoolse opvang zijn op grond van de bouwregelgeving niet verplicht rookmelders en/ of CO2 melders op te hangen. Voor gastouders die kinderopvang organiseren in een oud bestaand huis waar nog geen rookmelders zijn geplaatst, geldt sinds 2010 de verplichting tot plaatsing van rookmelders! Dit is vastgelegd in de Wet Kinderopvang. Voor nieuwbouw van woningen geldt vanuit het bouwbesluit vanaf 2003 de verplichting rookmelders te plaatsen. Voor oude, bestaande woningen van voor 2003 geldt dat het een eigen verantwoordelijkheid is van de eigenaar of gebruiker van de woning om rookmelders op strategische plekken op te hangen. Gebouwen met een andere functie dan een woonfunctie, zoals kantoren en een kinderopvang, worden tegenwoordig vaak standaard voorzien van een rookmelder of een brandmeldinstallatie, omwille van brandveiligheid. Plaatsing van rookmelders wordt gestimuleerd vanuit de verzekering, maar wordt soms ook verplicht op grond van regelgeving anders dan de bouwregelgeving. Rookmelders zijn relatief goedkoop en leveren een goede bijdrage aan de brandveiligheid. Het plaatsen van CO2-melders in welke vorm van kinderopvangvorm dan ook is niet verplicht. Wel kan er in de praktijk aanleiding zijn om deze te plaatsen, in geval van een (oud) gebouw met te weinig ventilatie- en/of puivoorzieningen. CO2 (kooldioxide) is een goede indicator voor de binnenluchtkwaliteit op de kinderopvanglocatie. CO2-melders kunnen het beste op neushoogte worden geplaatst.
Kaart dit aan bij de locatiemanager. Hij of zij is verantwoordelijk voor de brandveiligheid op de locatie.
Kaart het aan bij de pedagogisch medewerkers van de groep waarin je kind zit, wanneer het specifiek om de vluchtwegen gaat bij die ruimte. Worden meerdere vluchtwegen door de gehele locatie geblokkeerd door spullen of zitten de nooddeuren op slot, kaart het dan ook aan bij de locatiemanager.
Vraag dit na bij de locatiemanager. Hij of zij kan je als het goed is vertellen wanneer de laatste oefening is gedaan en hoe deze is verlopen.
In de wet staat niet expliciet aangegeven hoe vaak een ontruimingsoefening gehouden moet worden. Wel staat er in het Arbo-besluit dat de “frequentie van een oefening zodanig moet zijn dat de bedrijfshulpverlening de ontruiming adequaat kan leiden”. Praktisch gezien betekent dit dat iedere kinderopvanglocatie minimaal 1 keer per jaar een ontruimingsoefening moet houden en evalueren.
Overleg altijd eerst met de locatiemanager, of oudercommissie. Wellicht is de brandweer al benaderd of zijn hier plannen voor, waar je geen weet van hebt. Als de locatiemanager je oproep of zorgen ten aanzien van de brandveiligheid negeert zou je de brandweer zelf kunnen benaderen door contact op te nemen met de gemeente, afdeling toezicht en handhaving gebruiksvergunningen/ bouwvergunningen.
In het algemeen inspecteert de brandweer de brandveiligheid van de opvang. De brandweer doet dit echter niet op regelmatige basis.
De kinderopvangorganisatie is eindverantwoordelijk voor het brandveiligheidsbeleid in de organisatie. De locatiemanager is verantwoordelijk voor de brandveiligheid op de kinderopvanglocatie zelf.